Jeremia 24

Ik geef hun het inzicht dat Ik de HEER ben; als ze met heel hun hart naar mij terugkeren, zullen zij mijn volk zijn en zal Ik hun God zijn. Jeremia 24:7

Vijgen zijn vruchten. Er zijn goede en slechte vruchten. Het visioen is dus een vraag naar opbrengst. Wat levert het op? Maar waar gaat het over? In hoofdstuk 24 is de ballingschap werkelijkheid geworden. Er zijn mensen weggevoerd naar Babylonië. Er zijn ook mensen achtergebleven. In de volksmond werden diegenen die achtergebleven waren gelukkig geprezen. Je zal toch maar in ballingschap moeten.

In het visioen van Jeremia zijn andere dingen belangrijk. Er is het oordeel van de ballingschap en wat levert dat nu op? Wat is de opbrengst? Met de goede vijgen worden mensen bedoeld die het oordeel van God geaccepteerd hebben. Mensen die tot het inzicht gekomen zijn: God heeft gelijk, ik was verkeerd bezig. De slechte vijgen zijn die mensen die zelfs in het voltrekken van het oordeel van God nog proberen hun eigen huid te redden, desnoods door aartsvijand Egypte er bij te betrekken en zo God nog verder te beledigen (Deut.17:16).

Verder valt mij op dat God een nieuw begin belooft aan mensen die om goede redenen zijn weggestuurd. God begint opnieuw. Hij zal zelf mensen inzicht geven in wie Hij is.

Wij leven in de lijdenstijd. In Jezus krijgen wij inzicht wie God is. Een God die zelf als balling op aarde is komen wonen, die zelf het oordeel over ons weggedragen heeft. Wat levert dat op in jouw leven? Wat is de vrucht van het zien hoe Jezus in ballingschap is gegaan?

(eventueel ook lezen Psalm 22 en 126 en Johannes 12:20-36a)

Advertenties

Jeremia 23,9-32

Want profeten en priesters zijn verdorven, zelfs in mijn tempel moet ik hun wangedrag aanzien – spreekt de HEER. Jeremia 23:11

De tempel is de plek waar het mag komen tot een ontmoeting tussen de hoogheilige en almachtige God en kleine, bange en schuldige mensen. De tempel is de plek waar je mag schuilen bij God. Een duizelingwekkende gedachte als je erover nadenkt.Wie tegenover God komt te staan, staat tegenover de Bron van leven, de Bron van alles wat goed is. God ontmoeten wil zeggen dat alle puzzelstukjes van je leven op hun plek vallen. God ontmoeten wil zeggen dat jij je plek in het leven vindt. God ontmoeten wil zeggen dat je leven zin en richting krijgt. Of jij en ik God ontmoeten, daar hangt nogal veel vanaf. Zeg maar alles. En de tempel is de plek waarvan God heeft beloofd: daar zal Ik zijn, daar zal Ik mij openbaren, daar zal Ik mij laten ontmoeten.

Maar uit de woorden van de profeet Jeremia maken we op dat zij die de ontmoeting met God zouden moeten bevorderen verzaken en zo de ontmoeting met God blokkeren. Wie dienaar van God wil zijn, moet dan ook wel dienaar van God willen zijn. En niet dienaar van het eigenbelang. Je bent dienaar van Gods Woord en niet dienaar van je eigen woorden. Makkelijk gezegd dan gedaan, trouwens.

We lezen onderweg naar Pasen over Jezus die de tempel terugvordert. Die de tempel wil terugbrengen tot zijn oorspronkelijke bedoeling, plaats waar God zich kan openbaren. En daarvoor moet er ruimte gemaakt worden. Ruimte voor God. Je kunt er naar verlangen dat de kerk eens gereinigd zou worden van alle eigenbelang, van alle geweld en onderdrukking. Vraag eens aan een gemiddelde Nederlander wat het woord ‘kerk’  voor associaties oproept en je weet precies waar reiniging nodig is. Je kunt er naar verlangen dat de kerk weer een plek wordt waar we voor alles God ontmoeten. Maar je kunt er ook naar gaan verlangen dat je eigen hart een ontmoetingsplek met God mag worden. Dat je nu eindelijk eens bevrijd zult worden van je halfhartigheid.

De verleiding is groot om zelf de gesel in onze hand te nemen en zelf ruimte te maken voor God. In de kerk. In je eigen hart. Maar als wij zelf met de gesel ruimte moeten gaan maken voor God dan loopt het niet goed af. Wat Jezus deed in de tempel van Jeruzalem, wil Hij door zijn Geest ook voor ons doen. Laat Hem het dan ook doen. Daar mag je om vragen: maak mij leeg van alles wat mij weghoudt bij U, maak ruimte voor Uzelf en vul mij met uw aanwezigheid. En dan wordt het Pasen.

(eventueel ook lezen Psalm 40,125 en Johannes 12,12-19)

Jeremia 22,20-23,8

Ik zal herders over ze aanstellen die ze zo zullen hoeden dat ze geen angst meer kennen en er niet één zal worden gemist – spreekt de HEER. Jeremia 23:4

En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare en werd met ontferming over hen bewogen, omdat zij waren als schapen, die geen herder hebben, en Hij begon hun vele dingen te leren. Markus 6:34

Je hebt van die plaatjes waar mensen verschillende dingen in zien. De één die ziet een jong meisje en de ander ziet een oude vrouw. Maar ook in het echt gebeurt het nogal eens dat we dingen verschillend waarnemen. De één die ziet een krakkemikkig en vuil tafeltje terwijl iemand anders in datzelfde tafeltje een antiek en zeer zelfdzaam meubelstuk herkent. Een vriend van je komt binnen met zijn nieuwe vriendin en hij is helemaal tot over zijn oren verliefd en jij denkt: wat ziet hij in vredesnaam in haar. Al zien wij het zelfde, dan wil dat nog niet zeggen dat we hetzelfde zien.

Jezus ziet een grote schare mensen en hij ziet ze als schapen zonder herder. Hij wordt met ontferming bewogen. Hij neemt de taak van herder op zich en begint hij de schare vele dingen te leren.

Er zijn herders door God aangesteld – zegt Jeremia – en die laten de mensen die aan hen zijn toevertrouwd in de steek. Je ziet het vaker gebeuren. Mensen krijgen een verantwoordelijke positie – in de kerk, de politiek, het openbaar bestuur -, zij zijn verantwoordelijk voor het welzijn van anderen, maar ze gebruiken hun positie vooral voor eigen gewin.

Misschien is één van de belangrijkste dingen die wij als volgelingen van Jezus Christus moeten leren wel dit: dat we leren om met de ogen van Jezus naar de wereld om ons heen te kijken. Zien wat Hij zou zien. Om dan te doen wat Hij zou doen. Misschien is dat wel een goede definitie van pastoraat of van navolging.

Stel, je bent een meelevend en rechtzinnige synagoge-bezoeker. En je ziet de schare? Wat zie je dan? Dan zie je misschien wel hetzelfde als een meelevende kerkganger op koopzondag in de winkelstraten van Utrecht. Je ziet op koopjes beluste mensen die geen enkele diepgang aan hun leven weten te geven en die zich door de reclame laten verleiden tot alweer de volgende zinloze aanschaf. Je irriteert je mateloos aan dat oppervlakkige consumentisme en met weemoed denk je terug aan de tijd in het oude dorp dat op zondag zich een ieder ter kerke spoedde om daar een goed doorwrochtte preek aan te horen. Wat een teloorgang van een christelijk land. Dat is de schare. Wat een verschrikkelijke mensen.

Nee, zegt Jezus, ik zie iets anders. Ik zie haastige mensen die toch ook op zoek zijn. Ik zie een leegte. Ik zie gapende ogen en verlangende harten, maar ik zie ook dat er zo weinig mensen zijn die zich echt bekommeren om deze mensen. Waar zijn de herders die God over Israël heeft aangesteld? Ze zijn er niet. En omdat er niemand is, die voor deze mensen een product in de aanbieding heeft dat wel eeuwigheidswaarde heeft, daarom ga ik naar hen toe en verkondig ik hen grote blijdschap want het koninkrijk is nabij. Dat is de andere blik van Jezus.

Omdat Jezus zo dicht bij zijn Vader leefde, daarom kon Jezus ook zo’n onvoorwaardelijke liefde opbrengen voor de mensen in zijn omgeving. Daarom kon Hij zichzelf als het brood des levens uitdelen aan vijfduizend mensen en toch nog over houden. En dat heeft Jezus ook aan zijn discipelen willen leren. Maak je niet te snel af van je herderschap. Want slechte herders en baantjesjagers zijn er al genoeg. Roep niet te snel dat het jouw verantwoordelijkheid niet is. Stuur mensen niet direct weg om ergens anders aan hun eten te komen. Denk ook niet te snel dat je te weinig in je mars hebt om zoveel mensen te kunnen voeden. Ga dan in ieder geval met wat je hebt rond om het uit te delen.

(eventueel ook lezen Psalm 55 en 124 en Johannes 12,1-11)

Jeremia 19,14-20,6

Jeremia, de profeet wordt gevangen gezet door de priester en hoofdopzichter van de tempel, Paschur.

Eén van de meest onthutsende dingen in het lijdensverhaal van Jezus vind ik altijd weer dat de religieuze autoriteiten zo’n groot aandeel hebben in het lijden van Christus.

Dat de leiders die moeten voorgaan in de dienst aan God, diezelfde God voor de voeten lopen met hun eigenwijs en eigenmachtig optreden. Dat de dienaren van Gods Woord dat Woord van God muilkorven. Dat is een verschrikkelijke perversie van het ambt.

De schrijver Dostojewski laat Iwan aan zijn broer Aljosja een zelfbedacht verhaal vertellen. Het is het verhaal van de groot-inquisiteur (als je aan hikt tegen de dikte van het boek De Broers Karamazov: alleen dit verhaal is het lezen van het boek al waard, zeker in de nieuwe vertaling van Arthur Langeveld). Het verhaal vertelt hoe Jezus terugkomt op aarde en hoe de groot-inquisiteur van Sevilla Christus gevangen neemt, omdat de vrijheid die Christus preekt, een bedreiging vormt voor de macht van de kerk. In de nacht gaat de groot-inquisiteur bij Jezus op bezoek en bijt Hem toe: ‘Waarom kom je ons voor de voeten lopen? Want je bent gekomen om ons voor de voeten te lopen, dat weet je zelf heel goed.’

God stuurt mensen die ons voor de voeten komen lopen. Omdat God van mening is dat onze koers niet goed is. God komt ons storen met zijn Woord omdat Hij weet dat waar we mee bezig zijn ons niet gelukkig zal maken. Wij zijn als het kind dat boos wordt op zijn vader omdat hij het mes afpakt waarmee het kind aan het spelen was. Of – met een variatie op een beeld van Lewis: wij zijn als kinderen die boos zijn dat ze met moeder mee moeten naar het strand, omdat ze het zo naar hun zin hebben bij het modderplasje in de tuin.

God roept tegenstand op. Juist bij godsdienstige mensen. Gelukkig is Christus gezonden in deze wereld om mensen te redden, zelfs godsdienstige mensen!

(eventueel ook lezen Psalm 102 en Johannes 11,1-16)

 

Jeremia 19,1-13

Jeremia moet de stad uit naar het Ben-Hinnom dal. Dat is geen prettige plek. In het verleden Valley_of_Hinom_PA180090werden er kinderen geofferd aan Moloch. En later werd het de locale vuilstort omdat niemand meer iets met deze plek te makken wilde hebben. Het is de plek waar mensen doen wat God niet geboden heeft, niet gesproken heeft en wat in zijn hart niet is opgekomen (vs.5). Jezus verwijst naar het Ben-Hinnom dal met de naam Gehenna. En Hij bedoelt daarmee de hel. De hel als de plek waar gebeurt wat God niet geboden heeft, niet gesproken heeft en wat in zijn hart niet is opgekomen.

Op die plek moet Jeremia een symbolische handeling verrichten. Hij moet een kruik stuk gooien. Dat doet de pottenbakker met zijn maaksel als het nergens goed voor is. Wanneer is een kruik mislukt? Als het doet wat zijn Maker niet geboden heeft, niet gesproken heeft en wat in zijn hart niet is opgekomen. Dan rest de vuilstort.

Oordeelsaankondiging kan je doen verstijven van schrik. Dat is nu net niet de bedoeling. Het is wel de bedoeling dat je stopt met waar je mee bezig was. Maar vervolgens ook dat je het anders gaat doen. De toekomst die je geschetst wordt in de oordeelsaankondiging hoeft geen werkelijkheid te worden.

En dan nog iets. Jeremia moet de stad uit. En op de vuilstort spreekt hij over Gods komende oordeel. Van Jezus wordt nogal nadrukkelijk gezegd dat Hij buiten de stad geleden heeft. Op de schedelplaats, de vuilstort van de dood. Het Lam van God lijdt onder de vloek die het gevolg is van mensen die doen wat God niet geboden heeft, niet gesproken heeft en wat in zijn hart niet is opgekomen. Hij die daar lijdt is degene die dat juist wel deed. En daarom heeft zijn lijden bevrijdende kracht. Jezus is naar de vuilstort gekomen om te zoeken wat verloren was.

(eventueel ook lezen Psalm 53 en 86 en Johannes 10,22-einde)

Jeremia 18,13-23

HEER, luister naar mij. Jeremia 18:19

Jeremia kan niet rekenen op een welwillend gehoor. Hij roept weerstand op. Hoe er op hem gereageerd wordt, doet denken aan de manier waarop mensen op Jezus gereageerd hebben. Gods Woord roept ergernis op. Dat je het eens gaat worden met God is niet vanzelfsprekend.

Als ik het gebed van Jeremia lees, lopen in eerste instantie de koude rillingen over mijn lijf. Is dat voorbede doen? Is dat een gebed om te imiteren op deze dag van gebed?

Het gebed klinkt wraakzuchtig. Als Jeremia rancuneus zou zijn, zou dat overigens te begrijpen zijn. Maar persoonlijke rancune is niet de drijfveer achter dit gebed. Dit is niet het gebed van een privé persoon die God op een strafexpeditie stuurt. Hier bidt een profeet die uiteindelijk opkomt voor Gods eer. Die vraagt of God zijn eigen oordeel niet ontrouw wil worden.

Toch ontkomen we er niet aan om te denken dat er een enorm verschil is tussen Jeremia en Jezus. Waar Jeremia bidt om de ondergang van hen die niet luisteren willen naar Gods Woord, bidt Jezus om vergeving voor hen die Hem zijn leven afnemen. Dat is ook een enorm verschil. Maar vergis je niet: het oordeel waar Jeremia om bidt, is niet opeens verdwenen bij Jezus. Alsof Jeremia een rancuneuze zwartkijker was en Jezus een Joris Goedbloed bij wie alles om het even is. Het oordeel waar Jeremia om bidt, is het oordeel dat Jezus draagt op Golgotha. Op Golgotha wordt recht gedaan aan Gods eer. Omdat Jezus bezweken is voor Gods ogen, omdat God met Jezus afrekende in zijn toorn, daarom kunnen onze misdaden toegedekt worden en worden onze zonden uitgewist (vers 23).

Wij hoeven niet meer te bidden om oordeel omdat dat oordeel al gedragen is. Wij kunnen bidden of God de ogen opent van hen die het nog niet met Hem eens geworden zijn.

(eventueel ook lezen Psalm 63 en 90 en Johannes 10:11-21)

Jeremia 18,1-12

Jullie zijn in mijn handen als klei in de handen van een pottenbakker. Jeremia 18:6

Het liedje heeft vele malen door de auto geschald: Zoals klei in de hand van de pottenbaker van Elly en Rikkert. Het liedje irriteert me altijd een beetje. Ik denk graag over mezelf dat ik iets meer voorstel dan een willoze klomp aarde die in vorm gekneed moet worden met behulp van water en de kneedkunsten van een ander. Mijn default mode is toch om te denken dat ik een selfmade man ben en moet zijn.

Het beeld van de klei en de pottenbakker zegt iets over mij als mens en over God en over hoe God zich tot mij verhoudt. Het beeld van de klei houdt me dicht bij de grond. Letterlijk. Stof ben je en tot stof zul je weerkeren. Die woorden klinken vaak aan het graf. Ze klinken voor het eerst na de zondeval. Misschien is dat wel de reden dat die woorden mij in eerste instantie negatief in de oren klinken. Zo van: ‘beeld je maar niets in, je stelt niets voor’. Adam is geschapen door God. We denken vaak dat Adam een naam is. Dat is het ook, maar het is allereerst aanduiding van de mens: uit de grond genomen. Zo je wilt: uit de klei getrokken. Dat is inderdaad een nederige afkomst. Wat is de mens? Een handvol stof en wat mineralen… Ja, totdat God zich ermee gaat bemoeien. Hij blaast er zijn adem, zijn Geest in en dan komt er leven in de zaak. Stof wordt mens. En mens krijgt opdrachten van God. De mens is stof, maar God vindt dat stof belangrijk genoeg om ermee te willen communiceren. Dat stof krijgt de opdracht de schepping te bewerken en te bewaren. Stof wordt dienaar van God. Los van God ben ik een hoopje stof. In relatie tot God vind ik mijn bestemming en mijn waarde.

De tragiek van de zondeval is dat de mens denkt zonder God te kunnen leven. Dat wijzelf ons leven naar believen vorm kunnen geven. Onze hele cultuur is verzadigd van dat idee en zelfs het godsdienstig leven is er niet vrij van. Maar bij monde van Jeremia laat God zien hoe de verhoudingen werkelijk zijn. Er is een pottenbakker en die maakt iets en dat iets heeft een doel! Wat gemaakt wordt, heeft zin als het zich laat gebruiken voor het doel waarvoor het gemaakt is.

Wat zou het doel zijn waarvoor God jou geschapen heeft? En hoe kun je gaan leven in overeenstemming met dat doel?

Kneed mij, Here God
‘k Wil mij opnieuw aan U geven
Kneed mij, Here God
U maakt iets moois van mijn leven

(eventueel ook lezen Psalm 54 en 79 en Johannes 10,1-10)