Deuteronomium 28,1-14

Vandaag en morgen lezen we Deuteronomium 28. In dit hoofdstuk staan zowel de zegeningen als de vervloekingen uitgewerkt die samenhangen met het al dan niet leven volgens Gods geboden. Vandaag lezen we over de zegen, morgen over de vloek.

Wat lukt en niet lukt in je leven, wordt door dit bijbelgedeelte geplaatst in het kader van Gods handelen. Zegen en vloek zijn andere begrippen dan succes/geluk en mislukking/tragiek. Een bijbelgedeelte als Deuteronomium 28 kan ervoor zorgen dat je erachter komt hoe geseculariseerd je eigenlijk bent: hoeveel moeite het je kost om echt te geloven dat God handelend in deze wereld aanwezig is. Bij zegen is dat dan nog wat makkelijker dan bij vloek.

Voor je het weet ontstaat er ook een soort kortsluiting. Het krijgen van kinderen wordt genoemd als zegen. Kun je kinderloosheid linea recta opvatten als vloek van God over je ongehoorzaamheid? Of – Brueggemann noemt dit voorbeeld in zijn commentaar – is de Holocaust te duiden in het framework van Deuteronomium 28? De profeten hebben in hun interpretatie van de ballingschap regelmatig gewezen op de relatie tussen menselijke ongehoorzaamheid en vloek. Maar kun je die lijn zomaar doortrekken?

Deuteronomium brengt ons bij een eigenaardige spanning die fundamenteel is voor de bijbel. Er is de menselijke verantwoordelijkheid, de keuzemogelijkheid. En die menselijke keuzes neemt God serieus. Tegelijkertijd komen we in de bijbel de gedachte tegen dat een eenvoudig model van zegen en vloek niet beantwoordt aan de werkelijkheid van alledag. Psalm 73 is daarvan een mooi voorbeeld: waarom gaat het nu juist de goddeloze goed en de vrome niet? En in de bijbel komen we de lijn tegen dat God soms genadig onze keuzes doorkruist. Daarvan is de opwekking van Jezus wel het sterkste voorbeeld: waar mensen ervoor kiezen de Zoon van God te doden, daar laat God zich door deze keuze niet vast leggen. Hij laat een toekomst van zegen opengaan met Pasen. Het ligt dus allemaal wat complexer dan je op grond van Deuteronomium 28 zou kunnen denken.

Wat neem ik mee van dit hoofdstuk voor de rest van deze dag? Dat ik veel niet begrijp, maar ook dat ik afhankelijker van God ben en mag en moet zijn dan ik mij doorgaans bewust ben. Gezegend leven is van God afhankelijk blijven.

Advertenties

Deuteronomium 26

Van wie is de opbrengst die je met de oogst binnen haalt (of het salaris dat elke maand binnenkomt)? Israël moet zich voortdurend bewust zijn van het feit dat het beloofde land geschonken land is. Het heeft het land in bezit gekregen. Het is van hen, het is een gave van God.

Het land is ook een ontmoetingsplek tussen God en zijn volk. Daarom wordt het volk opgeroepen God te ontmoeten en terug te denken aan het verleden. Tegen de voortdurend zich opdringende mythe van de ‘self-made man’ wordt Israël geroepen te gedenken wie het is en waar het vandaan komt. Israël is een volk dat volk is bij de gratie Gods. Als je dat beseft, is het geven van het eerste en beste deel van de opbrengst aan God niet zo heel vreemd. Het gedenken van je bevrijding leidt dus tot offervaardigheid. Mooi thema om eens over door te denken na bevrijdingsdag!

Van wie is de opbrengst die je met de oogst binnen haalt (of het salaris dat elke maand binnenkomt)?

Verder is je opbrengst – die van jou is – een uitgelezen kans om anderen iets van bevrijding te laten ervaren: Levieten (die niet in eigen onderhoud kunnen voorzien omdat zij vrijgesteld zijn van werk vanwege hun werk in het heiligdom), vreemdelingen, weduwen en wezen worden tegemoet gekomen in hun kwetsbaarheid.

Deuteronomium 21:22-22:8

De jongen mag u meenemen, maar de moeder moet u in elk geval laten zitten. Deuteronomium 22:7a

Als je het gedeelte leest dat voor vandaag op het rooster staat, realiseer je je meteen hoe ingewikkeld bijbellezen eigenlijk is, tenminste, als je ervan uitgaat dat de bijbel zeggingskracht heeft voor onze manier van leven. Ingewikkeld, omdat de praktijk is dat we met sommige bijbelgedeelten niets doen, terwijl een vers dat iets verderop staat in sommige gezinnen bijna elke dag geciteerd wordt. Wat ik daarmee bedoel? Dat in de klerenkast van het gemiddelde reformatorische meisje weinig broeken te vinden zullen zijn en dit met een beroep op Deuteronomium 22:5. Tegelijkertijd zullen er in diezelfde kast meerdere kledingstukken hangen die bestaan uit meer dan één soort weefsel, hetgeen een overtreding is van wat in 22:11 te lezen is.

Op de achtergrond van verschillende verzen in dit bijbelgedeelte staat de eerbied voor onderscheidingen die God in zijn schepping heeft aangebracht: er is licht en donker, zee en land, vrouwelijk en mannelijk, er is verschil tussen dieren en wat zij kunnen. In Genesis 1 en 2 valt op hoezeer het scheppingsproces een ordeningsproces is: enerzijds, anderzijds. A is niet b en b is niet a en juist het samenspel van verschillen maakt de schoonheid uit van de schepping. Met een wat huiselijk voorbeeld: als ik ga schilderen ontstaat er altijd een bruine massa omdat bij mij de kleuren door elkaar heen lopen, een goede schilder kan tot op de millimeter de kleuren uit elkaar houden en zorgt zo voor een prachtige compositie.

Maar dan het vers dat hierboven staat. Dat er nesten uitgehaald worden, wordt niet verboden. Er moet tenslotte gegeten worden. Maar, en dat vind ik veelzeggend in onze tijd, als je consumeert wat je vindt in de natuur, doe dat dan met respect voor de voedselketen. Wie het hele nest leeghaalt of de moedervogel doodt, verstoort de vruchtbaarheid. Zo weerspiegelt dit gebod de gedachte dat het land door God gegeven is om vruchtbaar te zijn en die vruchten mogen door de mens gebruikt worden, maar dan op zo’n manier dat de vruchtbaarheid niet in gevaar komt. Wie consumeert grijpt in in zijn omgeving. Dat kan niet anders, maar laat die verstoring dan in verhouding staan tot wat geconsumeerd wordt. Misschien is de massale ontbossing in delen van Zuid-Amerika die gerechtvaardigd wordt omdat er nu eenmaal hamburgers geproduceerd moeten worden wel een goed voorbeeld van hoe het volgens Deuteronomium niet bedoeld is.

Deuteronomium 19

Dan hoeft er in het land dat de HEER u toekent geen onschuldig bloed te vloeien, en laadt u geen schuld op u. Deuteronomium 19:10

Dat gevoelens van wraak opkomen wanneer ons onrecht aangedaan wordt, is niet vreemd. Het ‘oog om oog, tand om tand’ zit diep in ons denken en voelen. In de auto luisteren de kinderen naar een cd van Bert en Ernie. Ernie scheurt per ongeluk een bladzijde uit Berts boek. Bert wil iets kapot maken dat van Ernie is, bijvoorbeeld diens rubberen eendje, want dat is eerlijk… Interessant is om te zien dat kinderen zowel aanvoelen dat Berts wraakgevoelens niet gek zijn en dat het tegelijkertijd mooi is dat Bert uiteindelijk afziet van het kapot maken van het eendje.

In Deuteronomium gaat het over het binnen de perken houden van de gevolgen van wraak. Voor uitwassen van wraakoefening kun je denken aan Noord-Ierland, de maffia. Maar sinds kort is het thema ‘eerwraak’  ook in Nederland weer actueler geworden. Maar misschien moet je het dichter bij huis houden. Wraak nemen kan zeer subtiel gebeuren.

Wat is er mis met wraak? Dat het risico bestaat dat het niet ophoudt. Is de regel ‘oog om oog, tand om tand’ bedoeld om een grens te stellen aan de mate waarin je jezelf mag wreken, in de praktijk leidt het regelmatig tot een spiraal van geweld.

Wat heeft dit allemaal met God te maken? Veel. Ten eerste is God een rechtvaardig God. Slachtoffers zijn veilig bij God. Maar ook daders mogen rekenen op Gods rechtvaardigheid. Daarom zijn mensen die per ongeluk een ander doden veilig bij God. Hoe worden die twee bij elkaar gehouden? Door het besef dat God – ten tweede – de uiteindelijke wreker is (Psalm 4:1, Romeinen 12:19). In het Nieuwe Testament vormt deze gedachte zelfs een aansporing om helemaal van wraak af te zien. Dat is moeilijk, maar in Christus niet onmogelijk. Ten derde, de vrijplaatsen zijn als concrete plekken verwijzingen naar God zelf, die een vrijplaats is voor mensen die op de vlucht zijn (Psalm 14:6).

Deuteronomium 12,1-12

Waar vind je God? Waar moet je God aanbidden? Er zijn mensen die zeggen: om God te aanbidden hoef ik niet naar de kerk te gaan. Ik loop wel door een bos en daar kan ik God ook ontmoeten. Dat laatste zou ik niet willen ontkennen, maar het is een slecht argument om niet naar de samenkomst van de gemeente te komen.

Waar gaat het over in Deuteronomium? Aan de ene kant over de veelheid van plekken waar mensen hun zelfgekozen afgoderij plegen. Aan de andere kant over de ene plek door God zelf uitgekozen waar de enige ware God aanbeden wordt. En je moet die twee niet met elkaar willen vermengen.

Israël wordt opgedragen te aanbidden op de plek die God aanwijst. Waar je God aanbidt, is dus niet om het even. Dat lijkt me iets om te onderstrepen in een tijd waarin mobiliteit ook in de kerk gewoon geworden is. Gebeurt in mijn gemeente iets waar ik niet blij mee ben, dan ga ik gewoon naar de volgende. Misschien is de vraag waar jij je het beste thuisvoelt wel helemaal niet zo relevant. Waar wil God je hebben! Dat is de vraag die er toe doet.

Verder vind ik opvallend dat de kern van de eredienst hier omschreven wordt in termen van vreugde. Het gaat over eten en vrolijk zijn. Verheugd zijn over het goede dat God geeft. Goed criterium om onze erediensten eens mee door te lichten: komen wij tot vreugde over wat God ons geeft?

En – ook in onze tijd van groot belang – de eredienst moet toegankelijk zijn voor iedereen: voor ouders en kinderen, voor slaven en slavinnen, voor hen die geen eigen bezit hebben. Nog een goede vraag om onze erediensten mee te evalueren: wie sluiten wij buiten – bewust of onbewust?

 

 

 

Deuteronomium 6

“Hoor, Israël: de HERE is onze God; de HERE is één! Gij zult de HERE, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht. Wat ik u heden gebied, zal in uw hart zijn, en gij zult ze uw kinderen inscherpen, en daarvan spreken, als gij in uw huis zit, en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt, en als gij opstaat.”

Deze woorden, het Sjema Israel, vormen een kerntekst voor Israël. Elke gelovige jood bidt deze tekst minimaal twee keer per dag, bij het ochtend- en bij het avondgebed. Het is een tekst die vele joden op de lippen hebben genomen op het moment van sterven. Joden die vredig in hun eigen bed zijn gestorven hebben deze woorden uitgesproken. Maar met deze woorden op de lippen zijn ook vele joden gestorven, nadat zij gemarteld waren, of verbrand of vergast werden.

Deze woorden uit Deuteronomium 6 zijn ook voor Jezus een kerntekst geweest, want als Hem gevraagd wordt wat volgens Hem het grote gebod is, dan citeert Hij onder andere deze tekst.

Het volk Israël krijgt de opdracht om te horen. Omdat iets wat je hoort, in ieder geval iets is dat je niet zelf verzonnen hebt. Iets dat je hoort, komt van de andere kant. En Mozes en de profeten en Jezus en de apostelen, zij zeggen allemaal: echte kennis van God komt van de andere kant.

Iets verderop in ons hoofdstuk hebben we gelezen dat het volk Israël deze woorden op het lichaam moet binden, op de deurposten van het huis moet schrijven en op de poorten van de stad. En als je wel eens orthodoxe joden hebt zien bidden dat weet je hoe letterlijk zij dit nemen. De woorden van God binden zij met leren riemen op hun lichaam. Waarom? Om zichzelf eraan te herinneren: alles wat ik met dit lichaam doe, staat in het teken van het liefhebben van God. Aan de huizen van joodse gezinnen kom je de mezoeze tegen: een klein kokertje met daarin de woorden van het Sjema opgerold. Waarom? Om zichzelf eraan te herinneren: alles wat hier in dit huis, in dit gezin gebeurt, staat in het teken van het liefhebben van God. En aan de poorten van steden in Israël zie je dit ook. Waarom? Om zichzelf eraan te herinneren: alles wat in dit dorp, in deze stad gebeurt, zal zijn tot eer van God. Het liefhebben van God omvat dus het persoonlijke leven, het gezinsleven en het openbare leven. En als je verder leest in het boek Deuteronomium dan kom je allemaal wetten en regels tegen die je helpen willen om zo te leven, dat blijkt dat je God liefhebt in alle aspecten van je leven.

De allerbelangrijkste grondhouding van het geloof naast horen is dus liefhebben. En liefde is gehoorzamen! God vraagt niet van ons dat wij geloven dat Hij bestaat. Maar Hij vraagt van ons dat wij Hem liefhebben. Met heel je hart, met heel je ziel en met heel je kracht.