1 mei: 2 Kronieken 34

In het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog een jongeman was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken. 2 Kronieken 34:3a (HSV)

Het tweede Kroniekenboek vertelt een treurig verhaal. De eerste hoofdstukken gaan over de bouw van de tempel onder leiding van Salomo. Pracht en praal, gecombineerd met ijver en kunde worden ten dienste gesteld van de dienst aan God. Een soort Gouden Eeuw. Maar wat volgt is een verhaal van mensen die God en zijn dienst links laten liggen. God wordt net zo makkelijk ingeruild voor allerlei afgoden. Er vindt aftakeling en afkalving plaats.

En toch zijn er lichtpuntjes. Een aantal maal wordt er verteld over de viering van het Paasfeest. Zowel Hizkia als Josia – over wie we vandaag lezen – herstellen het Paasfeest in ere. Dat is van groot belang. Paasfeest vieren – de uittocht uit Egypte gedenken – is vieren dat God een God is die bevrijd uit de duisternis en je door het water van de dood heen leidt naar een land waar je opnieuw beginnen mag.

Van Josia lezen we in hoofdstuk 34 hoe hij tot die viering van het Paasfeest gekomen is. Een paar kernwoorden vallen. Hij begint de God van David te zoeken (34:3); hij reinigt het land van afgoderij (34:3) en breekt altaren af (34:4vv) en gaat de tempel herstellen (34:8). Bij dat herstellen wordt het wetsboek gevonden – waarschijnlijk (een deel van) het boek Deuteronomium (34:14). De lezing van dit boek leidt tot een verdiept inzicht in het oordeel van God (34:21) èn een complete toewijding aan de dienst van God (34:31).

Het is verhelderend om je eigen leven eens naast deze trefwoorden te leggen: zoeken, reinigen, afbreken, herstellen, vinden, inzicht verdiepen, toewijden.

Fascinerend blijft dat derde vers: hij begon de God van zijn vader David te zoeken. Temidden van de godsverduistering gaat iemand God zoeken. Waarom? Dat staat er niet bij. Het gaat uiteindelijk terug op God. Het is genade dat God mensen op zoek laat gaan naar Hemzelf in tijden dat alles donker is.

Advertenties

26 februari: 2 Kronieken 20

In ons is immers geen kracht tegen deze grote troepenmacht die op ons afkomt, en wij weten niet wat wij moeten doen, maar op U zijn onze ogen gericht. 2 Kronieken 20:12b

Van leiders verwachten wij leiding. Zeker in moeilijke situaties. En stiekem hopen wij ook dat zij oplossingen hebben voor problemen die wijzelf niet kunnen oplossen. We verwachten van onze leidinggevenden dat zij langer gemotiveerd blijven dan wij. Dat zij over energie beschikken op grond waarvan wij verder kunnen.

Als je zelf een leidinggevende functie hebt, kunnen die verwachtingen je aantrekken maar ook benauwen. Enerzijds is het geweldig wanneer mensen bereid zijn je te volgen en wachten op jouw advies. Anderzijds kan het je wel eens aangrijpen dat je verantwoordelijk bent voor het welzijn van anderen terwijl je het zelf ook niet (meer) weet.

Josafat is een leider. Nog wel de hoogste leider van Israël, op God na dan. Maar Josafat weet het ook niet. Of eigenlijk weet hij het wel. Deze slag gaan ze niet redden. Niet bepaald je ‘finest hour’ als leider als je in zo’n situatie zit. Ik weet niet of men in het bedrijfsleven zit te wachten op een dergelijke leider.

Wat doet Josafat? Hij gaat tussen het hele volk van Juda en Jeruzalem staan en spreekt de eigen onmacht uit. Dat moet je durven. En hij doet het volk voor wat het enige is wat je kunt en moet doen in zo’n situatie: je ogen op God gericht houden. Want alleen Hij kan je echt helpen.

Als kerk hebben we de nodige tegenstand te verduren. De golven van de secularisatie slaan nog enorme bressen in de christelijke kerk in West-Europa. Je redt het niet met slimme ideetjes en snelle oplapmiddelen. Het tij is alleen te keren als God het keren zal. En daarom moet je je eigen onmacht belijden. En daarom moet je je ogen gericht houden op God. Hij zal het doen. Hij alleen.