19 november: 1 Tessalonicenzen 5

Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. 1 Tessalonicenzen 5:9

Er komt een dag waarop er een oordeel zal worden uitgesproken over de levenden en de doden. Het laatste oordeel. Wat doen die woorden met je? Roepen die woorden een soort onbestemde angst bij je op, die ervoor zorgt dat je spontaan aan iets anders denkt? Heb je het idee van een laatste oordeel als iets ouderwets achter je gelaten? Maak je je zorgen hoe jij het er af zal brengen? Heb je je verdedigingsspeech al klaar liggen? Geeft de gedachte aan een laatste oordeel je moed omdat je weet dat dan de slachtoffers van deze wereld eindelijk recht gedaan zal worden?

De “dag van de Heer” wordt in het Oude Testament beschreven. Amos schrijft:

Wee degenen die verlangen naar de dag van de HEER! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HEER? Duisternis, geen licht.  Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en  met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang. De dag van de HEER zal duisternis zijn, en geen licht; aardedonker, zonder glans. Amos 5:18-20

Dat klinkt niet bepaald opwekkend, eerder angstaanjagend. Maar is dat een reden om die woorden minder serieus te nemen?

Hoe bereid je je voor op de dag van de Heer? Er zijn mensen die besteden veel tijd aan het uitrekenen en voorspellen van de dag waarop de Heer komt. Paulus zegt: dat heeft niet veel zin, want die dag komt als een dief in de nacht en de meeste dieven komen onverwacht. Alleen God weet wanneer die dag komt. Speculeren over die vraag is dus geen goede voorbereiding.

In de bijbel valt de geschiedenis in twee delen uiteen. Er is de geschiedenis tot nu toe. Die wordt gekenmerkt door duisternis: symbool voor alles wat tegen Gods wil ingaat. Maar er zal een dag komen waarop een nieuwe periode begint die gekenmerkt zal worden door licht: symbool voor alle wat overeenkomt met Gods wil. In bepaald opzicht kun je zeggen: wij leven nu nog in de periode van duisternis en wachten op de periode van licht. En toch is dat niet helemaal waar.

Met de komst van Jezus Christus heeft het licht van de wereld zijn intrede gedaan. In Jezus Christus is de nieuwe tijd dus al begonnen, terwijl aan de oude tijd nog geen definitief einde gekomen is. Wie in Jezus Christus gelooft, die leeft al in het licht. Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ (Johannes 8:12) Met andere woorden: als je Jezus volgt, dan hoor je al bij het nieuwe tijdperk, dan leef je niet meer in de duisternis en dan zijn die woorden van Amos ook niet voor jou bedoeld.

Wat is dus de beste voorbereiding op het komende oordeel? Dicht in de buurt van Jezus blijven. Door Hem en alleen door Hem ben je een kind van het licht. Dan zal het oordeel wel over je leven gaan, maar het zal leiden tot vrijspraak, omdat Jezus Christus jouw oordeel al gedragen heeft.

Advertenties

16 november: 1 Tessalonicenzen 4

Dan zullen we altijd bij Hem zijn. Troost elkaar met deze woorden. 1 Tessalonicenzen 4:18

De dood trekt diepe scheuren in ons leven. Wie iemand aan de dood verloren heeft, weet hoe verschrikkelijk de pijn van het gemis is. Rondom het overlijden van mensen uit onze omgeving komen veel vragen naar boven. Onder andere de vraag hoe het nu verder gaat met onze geliefden. Er zijn mensen die geloven dat er na de dood helemaal niets meer is. Je verdwijnt gewoon. Mijn indruk is dat de meeste mensen geloven dat er wel iets is na de dood. Alleen, wat is dat iets, hoe ziet dat er dan uit? Waar zijn onze doden? Ook kinderen stellen die vragen.

Rondom die vraag is een hele zwerm van antwoorden gegeven. Oma is een sterretje. Opa slaapt. Papa is in de hemel en daar is het heel fijn. Je zusje is nu een engeltje.

Paulus geeft ook antwoord op die vraag. Hij wil niet dat wij treuren zoals mensen die geen hoop hebben. Let op: Paulus zegt dus niet dat je niet mag treuren. Ook voor de gelovige is de dood de laatste vijand. En is het loslaten van mensen van wie je houdt het moeilijkste dat er is. Als je dat moet doen, is het volkomen normaal dat je veel verdriet hebt. Als Jezus bij het graf van Lazarus staat, huilt Hij. Maar dat is iets anders dan treuren zonder hoop. Dat hoeft namelijk niet.

Waar heeft die hoop mee te maken? Het is jammer dat de NBV hier niet iets letterlijker heeft vertaald, maar tot driemaal toe noemt Paulus de gestorvenen “ontslapenen”, of nog letterlijker: “zij die in slaap gevallen zijn”. Dat betekent een enorme relativering van de dood. De dood is als een slaap: je zult op een zeker moment wakker worden.

Die gedachte kom je eerder tegen in de bijbel. In Daniël kun je lezen: “Velen van hen die slapen in de aarde, in het stof, zullen ontwaken, sommigen om eeuwig te leven, anderen om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd.”(Daniël 12:2) En als Jezus op weg gaat naar Lazarus dan zegt Hij: `Onze vriend Lazarus is ingeslapen, maar Ik ga erheen om hem wakker te maken.’ (Johannes 11:11)

De hoop die Paulus aan zijn lezers voorhoudt, is de verwachting dat op een dag Jezus zal terugkomen op aarde als Koning. En in zijn hoedanig als Koning zal Hij ons roepen met een stem die wij niet anders kunnen dan gehoorzamen. Doden en levenden. De wederkomst van Jezus heft dus een dubbele scheiding op: de scheiding tussen God en mensen en de scheiding tussen mensen onderling.

Uit de woorden van Paulus komt naar voren hoe fundamenteel het feest van Pasen voor de christelijke kerk is. Op Pasen is al onze hoop gebaseerd. God de Vader heeft zijn Zoon niet losgelaten in de dood. Hij heeft Hem doen opstaan uit de dood. Zo zal God degenen die hun vertrouwen op Christus hebben gesteld ook niet loslaten in de dood, maar hen doen opstaan.

Dan zullen we altijd bij Hem zijn. Dat vormt de kern van de christelijke hoop en de christelijke troost bij overlijden. De kern is dus gemeenschap met God. Paulus bevredigt hier niet onze nieuwsgierigheid over de details van het leven met God. Wil je ontdekken wat de troost is van deze woorden, dan zul je moeten ontdekken wie God is. Ben je bang voor God, dan zijn de woorden van Paulus geen troost. Vind je God een oninteressant figuur, dan zullen de woorden van Paulus je niet helpen. Voor altijd bij God zijn. Dat is alleen een troost als je God hebt leren kennen zoals Hij is. Dat zou dan ook de focus van je leven moeten zijn.

Hoe troosten wij elkaar? Uiteindelijk is de enige echte troost de tegenwoordigheid van God. En de wetenschap dat er een dag zal komen waarop wij ongehinderd door wat dan ook blij zullen zijn omdat wij bij Hem zijn.

15 november: 1 Tessalonicenzen 3

Kunnen we God ooit genoeg voor u danken? Kunnen we hem ooit genoeg danken voor de vreugde die Hij ons met u geschonken heeft? 1 Tessalonicenzen 3:9

Wij kennen Paulus als een mannetjesputter. Iemand die het conflict niet uit de weg gaat en zegt waar het op staat. Er zijn mensen die vinden Paulus een keiharde, kille rationalist. In hoofdstuk 2 en 3 van deze eerste brief aan de Tessalonicenzen leren we een heel andere kant van Paulus kennen. Hij laat in deze hoofdstukken diep in zijn hart kijken.

Iemand heeft eens gezegd dat iedereen die in de kerk verantwoordelijk is voor het welzijn van anderen (predikanten, ouderlingen, diakenen, bezoekmedewerkers kindernevendienstleiders enzovoorts) zich grondig zou moeten verdiepen in deze hoofdstukken. Hoe Paulus bezig is met het welzijn van de mensen die hem zijn toevertrouwd mag een voorbeeld voor ons allemaal zijn.

Paulus vergelijkt zichzelf met een vrouw die kinderen verzorgt (1 Tessalonicenzen 2:7), met een vader die zijn kinderen aanspoort en bemoedigt (1 Tessalonicenzen 2:11-12). Het zijn beelden die een heel persoonlijke en geborgen sfeer oproepen. En hier in hoofdstuk 3 valt het woord ‘vreugde’.

Het valt op hoe persoonlijk Paulus betrokken is bij het werk dat hij doen mag. De mensen voor wie hij verantwoordelijk is, raken hem op emotioneel vlak.

Soms kan het eng worden als voorgangers heel dicht op hun gemeente zitten. Je krijgt dan het idee dat voorgangers de gemeente als hun kindje zien, als hun eigendom, als de bron van vreugde waar zij recht op hebben na al hun harde werken. Bij Paulus werkt dat zo niet. Paulus heeft de gemeente niet zelf tot aanzijn geroepen. Hij aanvaardt haar als geschenk van God. De vreugde die Paulus kent, is afkomstig van God. God zelf is de zekering in pastorale relaties.

Kan het zijn dat God jou vreugde wil schenken met mensen om je heen? Kun jij God danken voor mensen om je heen? Wat zou het verschil zijn als je naar mensen in je omgeving zou kijken als geschenken uit Gods hand?

14 november: 1 Tessalonicenzen

De maat van hun zonden raakt nu vol, en Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. 1 Tessalonicenzen 2:16

De eeuwen door heeft het Joodse volk moeten lijden onder allerlei vormen van vervolging, bedreiging en haat. Er zijn zelfs bewegingen geweest die uit waren op de systematische uitroeiing van het Joodse volk.

Als christen is het beschamend te moeten constateren dat door de eeuwen heen heel wat haat jegens het Joodse volk op zijn minst is aangewakkerd door bepaalde vormen van christelijke theologie.

In deze brief is Paulus heel fel richting de Joden. Zij hebben de Heer Jezus gedood en de profeten gedood en ‘ons’ tot het uiterste vervolgd. Ze mishagen God, zijn alle mensen vijandig gezind. Gods veroordeling is ten volle over hen gekomen. Het lijkt wel een scheldkannonade. Wat moet je met dit soort passages? Zijn deze verzen geen koren op de molen van antisemieten die het christelijk geloof voor hun karretje willen spannen?

John Stott helpt mij om deze verzen beter te begrijpen. Allereerst wijst Stott erop dat het bij het interpreteren van Paulus’ woorden van belang is om te bedenken dat Paulus zelf een Jood is. En dat Paulus in andere brieven, bijvoorbeeld de Romeinenbrief, laat zien hoezeer het lot van het Joodse volk hem juist ter harte gaat (Romeinen 9:2vv).

Verder is het opvallend dat Paulus in de Romeinenbrief juist rekent op de redding van heel Israël (Romeinen 11:26), terwijl hij hier in de brief aan de Tessalonicenzen lijkt te rekenen met het oordeel. Stott geeft als verklaring dat Paulus in de eerste Tessalonicenzenbrief spreekt over individuele Joodse mensen en niet over Israël als collectief. Voor Israël als volk heeft Paulus grote verwachtingen. Maar zij die individueel de verspreiding van het evangelie verhinderen, mishagen God en roepen daarmee een oordeel over zichzelf af. Maar dat wil niet zeggen dat zij zich niet zouden kunnen bekeren en zo het oordeel kunnen ontlopen. Als Paulus in Efeze het evangelie verkondigt (d.w.z. na het schrijven van deze brief; cf Handelingen 19:8) verkondigt hij opnieuw het evangelie aan de Joden. Net zoals hij als eerste na aankomst in Rome met de Joodse leiders spreekt (cf Romeinen 1:16). Sommigen van hen nemen het evangelie aan en anderen niet.

Paulus kan zeer scherp zijn. Zeker als het om de erkenning van Jezus als de Messias gaat en de verspreiding van het evangelie van deze Messias. Wie deze Messias verwerpt, gaat in tegen God en roept zo zijn oordeel over zichzelf af. Dat is Paulus’ theologische overtuiging. De consequentie die Paulus hier uit trekt is dat hij in liefde het gesprek met zijn volksgenoten zoekt en hen tracht te overtuigen met woorden. Dat christenen later verder zijn gegaan en uit de woorden van Paulus de conclusie hebben getrokken dat geweld tegen of uitroeiing van het Joodse volk te verdedigen zou zijn, is een onvoorstelbaar groot onrecht richting het Joodse volk. Anti-semitisme in welke vorm dan ook is zonde tegenover God en zijn volk.

13 november: 1 Tessalonicenzen 1

…iedereen praat erover hoe wij door u zijn ontvangen en hoe u zich van de afgoden hebt afgewend om u tot God te keren – om Hem, de levende en ware God, te dienen en om zijn Zoon te verwachten uit de hemel: Jezus, die Hij uit de dood heeft doen opstaan en die ons zal redden van het komende oordeel. 1 Tessalonicenzen 1:9-10

In dit hele korte statement van Paulus gebruikt hij drie kernwoorden van het christelijk leven: afwenden, dienen en verwachten. Misschien ben je soms in de gelegenheid om iemand in het kort iets uit te leggen over wat het christelijk geloof nu precies inhoudt. Misschien ben je dan wel eens om woorden verlegen, of vraag je je af: waar zal ik beginnen. De verzen die hierboven staan, zijn een geweldige samenvatting van wat het betekent om christen te worden en te zijn.

1. afwenden
Wij mensen zijn gemaakt om iets of iemand te dienen. Iedereen heeft iets in zijn of haar leven dat hem of haar heilig is. Datgene waar je alles voor over zou hebben, dat is in feite je god. Vroeger maakte men beelden en knielde ervoor. Zo doen wij dat niet meer. Maar dat wil niet zeggen dat er geen afgoderij meer is. Er zijn mensen die willen niet geloven in God omdat ze liever vrij zijn. Zulke mensen vinden vrijheid dus belangrijker dan God. Dikke kans dat vrijheid hun afgod is. Afgoden zijn dingen die wij vereren alsof ze net zo belangrijk zijn als God. Maar er is maar één levende en één ware God. Dat betekent dat de afgoden die wij vereren dood zijn en onwaar. Ze kunnen eenvoudigweg niet waarmaken wat ze beloven.

Christen worden wil zeggen dat je eerlijk onder ogen ziet dat ook jij allerlei afgoden hebt in je leven èn dat het noodzakelijk is dat je je afkeert van die afgoden. Dat je tegen je afgoden zegt: jij bent misschien wel veel waard, maar niet alles. Uiteindelijk is er maar één die alles waard is en dat is de levende en ware God. En daarom wend ik mij af van de afgoden.

2. dienen
Je oude afgoden afzweren is één ding, maar het heeft niet zoveel zin als het niet gevolgd wordt door het dienen van de levende en ware God. Zoals gezegd: wij mensen zijn geschapen om iets of iemand te dienen. En als wij niet God dienen, dan dienen we vroeg of laat iets of iemand anders. De christelijke vrijheid bestaat in het dienen van God. Anders gezegd: alleen het dienen van God maakt je tot een werkelijk vrij mens. De enige manier om daar achter te komen is door het te doen. Dienen is iets dat je hele leven omvat. Het heeft met je geldbesteding en tijdbesteding te maken. Het heeft te maken met hoe je met andere mensen omgaat. Dat je God dient is te merken. Sterker nog, volgens Paulus praat iedereen erover hoe anders de mensen in Tessalonica zijn geworden sinds ze christen geworden zijn.

3. verwachten
Maar christen zijn is niet alleen maar God dienen door druk bezig te zijn. Een christen is iemand die juist ook verwacht. Dat is trouwens niet passief blijven zitten waar je zit. Zoals een kind de eigen verjaardag verwacht en elke dag vraagt: hoeveel nachtjes nog?, zo is een christen bezig met de terugkomst van Jezus Christus.

Wat betekent die wederkomst? Wij verwachten Jezus die opgestaan is uit de dood en die ons zal redden van het oordeel. De wederkomst heeft dus met overwinning op de dood te maken. Met Pasen is er een nieuwe fase in de mensengeschiedenis ingegaan: de fase van Gods herschepping. Jezus is de eerste die uit de dood is opgestaan. Bij zijn wederkomst zullen velen volgen. Het oordeel is Gods uiteindelijke en compromisloze ‘nee’ tegen het kwaad. Op de dag van het oordeel zal alle kwaad worden rechtgezet. Gods heilig recht zal zegevieren. Gods ‘nee’ geldt ook al het kwaad in mijn leven. Als ik op mezelf ben aangewezen zal het oordeel van God mij wegvagen. Maar Jezus Christus redt mij van mijn kwaad. Door op Hem te vertrouwen, wordt Hij degene die mij omhult met zijn gerechtigheid als de storm van Gods oordeel over de aarde raast. Alleen door Christus is de toekomst van God iets om naar uit te zien.

Inleiding op de brief aan de Tessalonicenzen

Auteurschap
Dit is een brief die drie personen vermeldt in de aanhef: Paulus, Silvanus en Timoteüs. Dit is ook terug te zien in het veelvuldig gebruik van de eerste persoon meervoud: wij en ons. Anderzijds worden deze brieven volgens de traditie alleen aan Paulus toegeschreven. Op verschillende plaatsen komt dan ook de eerste persoon enkelvoud voor. Misschien moeten we het zo zien dat de schrijver van de brief Paulus is, die, op grond van hun nauwe betrekkingen met de gemeente, ook namens Silvanus en Timoteüs spreekt.
Dat de eerste brief door Paulus geschreven is, staat voor velen vast.Wel is er discussie over de vraag of er niet stukken in de brief zijn opgenomen die niet afkomstig zijn van Paulus (bijvoorbeeld 2:1-10, 2-13-16 en 5:1-11). De vraag naar het auteurschap van de tweede brief is iets ingewikkelder. Sommigen beweren dat geen enkele schrijver kort na elkaar twee brieven zou schrijven die zo op elkaar lijken als deze twee brieven. Anderen wijzen juist op het feit dat er nogal forse verschillen bestaan tussen de twee brieven, met name op het punt van de wederkomst. Het is de vraag of deze verschillen en overeenkomsten voldoende bewijs vormen om het schrijverschap van Paulus te ontkennen.

Geadresseerden
De stad Tessalonica, het huidige Saloniki, was ten tijde dat Paulus zijn brieven schreef een bloeiende havenstad van meer dan 300 jaar oud met meer dan 100.000 inwoners. Uit Handelingen 17:1-4 weten we dat er in deze stad Joden woonden met een eigen synagoge. De christelijke gemeente bestond destijds voornamelijk uit heiden-christenen.

Plaats en tijd van ontstaan
Op grond van gegevens over de komst van Timoteüs (1 Tessalonicenzen 3:6) in combinatie met Handelingen 18:5 kan geconcludeerd worden dat de eerste brief aan de Tessalonicenzen rond 50 geschreven moet zijn vanuit Korinte. Dergelijke gegevens ontbreken met betrekking tot de tweede brief. Vermoedelijk zijn beide brieven kort achter elkaar geschreven. Deze conclusie lijkt gerechtvaardigd op grond van het feit dat Paulus zijn opvattingen over de wederkomst verder meent te moeten uitwerken.

Structuur van de brief
Paulus moest noodgedwongen de gemeente snel verlaten. Zelf wilde hij snel terugkeren, maar dit was onmogelijk. Daarom stuurde Paulus Timoteüs. Deze kwam terug met onder andere berichten over de levenswandel van de gemeente en een vraag over de ‘ontslapenen’ (1 Tessalonicenzen 4:13-18).

– inleiding en groet (1:1)
– dankgebed 1 (1:2-2:12)
– dankgebed 2 (2:13-3:10)
– gebed voor de gemeente (3:11-13)
– woorden van aansporing en bemoediging (4:1-5:11)
– afsluiting (5:12-28)

19 november: 1 Tessalonicenzen 5

Want Gods bedoeling met ons is niet dat wij veroordeeld worden, maar dat wij gered worden door onze Heer Jezus Christus. 1 Tessalonicenzen 5:9

Er komt een dag waarop er een oordeel zal worden uitgesproken over de levenden en de doden. Het laatste oordeel. Wat doen die woorden met je? Roepen die woorden een soort onbestemde angst bij je op, die ervoor zorgt dat je spontaan aan iets anders denkt? Heb je het idee van een laatste oordeel als iets ouderwets achter je gelaten? Maak je je zorgen hoe jij het er af zal brengen? Heb je je verdedigingsspeech al klaar liggen? Geeft de gedachte aan een laatste oordeel je moed omdat je weet dat dan de slachtoffers van deze wereld eindelijk recht gedaan zal worden?

De “dag van de Heer” wordt in het Oude Testament beschreven. Amos schrijft:

Wee degenen die verlangen naar de dag van de HEER! Wat zal hij jullie brengen, de dag van de HEER? Duisternis, geen licht.  Zoals wanneer iemand die vlucht voor een leeuw, aangevallen wordt door een beer, en dan, als hij een huis binnenvlucht en  met zijn hand tegen de muur leunt, gebeten wordt door een slang. De dag van de HEER zal duisternis zijn, en geen licht; aardedonker, zonder glans. Amos 5:18-20

Dat klinkt niet bepaald opwekkend, eerder angstaanjagend. Maar is dat een reden om die woorden minder serieus te nemen?

Hoe bereid je je voor op de dag van de Heer? Er zijn mensen die besteden veel tijd aan het uitrekenen en voorspellen van de dag waarop de Heer komt. Paulus zegt: dat heeft niet veel zin, want die dag komt als een dief in de nacht en de meeste dieven komen onverwacht. Alleen God weet wanneer die dag komt. Speculeren over die vraag is dus geen goede voorbereiding.

In de bijbel valt de geschiedenis in twee delen uiteen. Er is de geschiedenis tot nu toe. Die wordt gekenmerkt door duisternis: symbool voor alles wat tegen Gods wil ingaat. Maar er zal een dag komen waarop een nieuwe periode begint die gekenmerkt zal worden door licht: symbool voor alle wat overeenkomt met Gods wil. In bepaald opzicht kun je zeggen: wij leven nu nog in de periode van duisternis en wachten op de periode van licht. En toch is dat niet helemaal waar.

Met de komst van Jezus Christus heeft het licht van de wereld zijn intrede gedaan. In Jezus Christus is de nieuwe tijd dus al begonnen, terwijl aan de oude tijd nog geen definitief einde gekomen is. Wie in Jezus Christus gelooft, die leeft al in het licht. Jezus zegt: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Wie mij volgt loopt nooit meer in de duisternis, maar heeft licht dat leven geeft.’ (Johannes 8:12) Met andere woorden: als je Jezus volgt, dan hoor je al bij het nieuwe tijdperk, dan leef je niet meer in de duisternis en dan zijn die woorden van Amos ook niet voor jou bedoeld.

Wat is dus de beste voorbereiding op het komende oordeel? Dicht in de buurt van Jezus blijven. Door Hem en alleen door Hem ben je een kind van het licht. Dan zal het oordeel wel over je leven gaan, maar het zal leiden tot vrijspraak, omdat Jezus Christus jouw oordeel al gedragen heeft.