11 oktober: 1 Petrus 4

Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God. 1 Petrus 4:16

Er zijn momenten dat het belijden van de naam van Jezus echt spannend wordt. En die momenten zijn er altijd geweest. Jezus is Heer: één van de oudste geloofsbelijdenissen van de kerk. En het is een belijdenis die velen het leven gekost heeft.

Het belijden van de naam van Jezus is altijd spannend, maar soms wordt het dat heel duidelijk. En dan kan het ook heel gevaarlijk worden. Wij kunnen hier in het Westen wel makkelijk over dialoog praten, maar als je christen in Irak of Iran bent, of in Noord-Korea of in China, of Pakistan, dan kun je je die luxe niet veroorloven. Want dan bestaat de kans dat je leven plotseling is afgelopen omdat je de naam van Christus draagt.

Denk je eens in: gemarteld worden omdat je een affiche van kerkbalans op hebt gehangen. Nooit promotie krijgen of zelfs ontslagen worden omdat je zondags in de buurt van een schuilkerk bent gesignaleerd. Het zijn geen verhalen uit de middeleeuwen of van een barbaarse andere planeet. Het zijn de verhalen van onze broeders en zusters op dit moment.

En ik schaam ik me ervoor hoe weinig ik aan hen denk en voor hen bid. Ik schaam mij als ik aarzel over een antwoord op de vraag of ik ook zoveel over zou hebben voor mijn geloofsovertuiging. Ik schaam mij als ik de verhalen van christenen uit deze situaties hoor vertellen. Zij vertellen dat het inderdaad waar is, dat je je niet moet schamen, maar dat je God moet vrezen, en dat het dan toch goed komt, ook al gaat het fout. Dietrich Bonhoeffer schreef: ‘Wie nog voor mensen vreest, kent niet de vreze Gods. Wie echter God vreest, vreest de mensen niet meer.’ Wie zou zoiets in de mond durven nemen? Maar voor Bonhoeffer is het waar geworden. Vlak voor zijn doodvonnis voltrokken werd, schreef hij niet over de waanzin en over angst om te sterven, maar schreef hij over de ervaring dat hij zich door goede machten stil en trouw omgeven wist (Gz 398 LvdK).

Advertenties

10 oktober: 1 Petrus 3

Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. 1 Petrus 3:15b

Petrus schrijft aan heidenen die christen geworden zijn. Hun geloof en daarmee samenhangende levensinvulling roept vragen op bij de niet-christelijke omgeving. Ook wij leven in een cultureel klimaat waarin het christelijk geloof en de daarmee samenhangende levensinvulling in toenemende mate niet meer vanzelfsprekend zijn.

De grote vooronderstelling van dit vers is, dat niet-christenen aan christenen merken dat zij anders zijn en daarom vragen gaan stellen. Een vraag die daarom vanuit dit vers op ons afkomt is: roept onze manier van leven vragen op bij niet-christenen? Kunnen mensen aan ons merken dat wij christen zijn?

Lange tijd zijn we als christenen in Europa misschien wel te bang geweest om het “anders-zijn” te benadrukken. Vooral niet opvallen. Vooral benadrukken dat ook christenen met hun tijd meegaan. Vooral benadrukken dat je als christen ook best leuk kunt meedoen in de wereld. Als reactie op bepaalde vormen van christelijk ghetto gedrag is dat ook misschien wel begrijpelijk. Maar heeft het intussen niet geresulteerd in een verbleekt christendom waarin het gedrag van een christen zich niet veel onderscheidt van een niet-christen?

Weet je waarom de eerste christenen opvielen? Omdat de manier waarop die vrouwen met hun mannen omgingen en die mannen met hun vrouwen anders was, liefdevoller en respectvoller dan onder niet-christenen. Omdat er onder christenen meer eensgezindheid bestond, meer onderlinge liefde, meer barmhartigheid, meer nederigheid, minder neiging tot wraak, meer bereidheid elkaar te zegenen. Dat was niet vanzelfsprekend. Voor christenen niet (daarom spoort Petrus hen ook aan), maar zeker niet onder niet-christenen.

Als in de gemeente van Christus net zoveel verdeeldheid, net zoveel liefdeloosheid en respectloosheid, net zo weinig barmhartigheid en nederigheid, net zoveel wraakzucht is als in de rest van de wereld, wat voor getuigenis gaat er dan nog uit van het christelijk geloof?

Getuigt onze manier van leven van hoop? Dat is een ontdekkende vraag. Denk er eens over na. En zo ja, zijn wij in staat om over ons geloof te spreken met anderen? Om iets uit te leggen van de hoop die in ons is? Ons geloof heeft met hoop te maken. Kun je daar iets over zeggen?

9 oktober: 1 Petrus 2

Maar u bent een uitverkoren geslacht, een koninkrijk van priesters, een heilige natie, een volk dat God zich verworven heeft om de grote daden te verkondigen van hem die u uit de duisternis heeft geroepen naar zijn wonderbaarlijk licht. 1 Petrus 2:9-10

Dat je niet meer weet wie je bent, is dat één van de ergste dingen die je kan overkomen. Je ziet het soms in extreme gevallen van vergeetachtigheid of in gevallen dat mensen psychisch zo in de war zijn dat ze niet meer weten wie ze zijn of denken dat ze iemand anders zijn.

Maar wie ben ik eigenlijk? De vraag naar je identiteit is een ongelooflijk spannende vraag. Ten eerste ben ik meerdere “ikken”. Ik ben vader, ik ben echtgenoot, ik ben zoon, ik ben Nederlander, ik ben predikant, ik ben een kind van God, ik ben een muziekliefhebber. En zo kun je nog wel even door gaan. Het mag duidelijk zijn dat al die ikken iets met elkaar te maken hebben. En dat er ook een zekere ordening in zit. Niet alles is even belangrijk, maar het speelt altijd wel een rol.

Wie bepaalt eigenlijk wie ik ben? Wij leven in de tijd van de grote maakbaarheid, waarin ons voorgehouden wordt dat ons leven een project is dat wij zelf in de hand kunnen en moeten nemen. Ik bepaal wie ik ben. Dat is deels waar, maar voor een groot deel ook gevaarlijke onzin. Mensen die van kinds af aan hebben moeten horen dat ze waardeloos zijn (bijvoorbeeld van hun ouders: ‘je had er beter niet kunnen zijn’), weten dat zulke stemmen een verwoestend effect hebben op je identiteit. Het loslaten van die stemmen kost jaren en zal misschien wel nooit helemaal lukken. Wie we zijn hangt niet alleen af van hoe we naar onszelf kijken, maar ook van hoe anderen ons zien.

Wie zijn wij als christelijke gemeente? Een overbodige vergrijzende minderheid van ouderwetse middenklasse mensen die op het punt staat om te verdwijnen? Een verzameling super-enthousiaste hemelbestormers die West-Europa wel eens even zullen bekeren?

Wie bepaalt wie wij zijn als christelijke gemeente? Ik geloof dat God daar uiteindelijk zelf het laatste woord over heeft te spreken. De tekst hierboven geeft een geweldige omschrijving van de identiteit van de gemeente. Over alle onderdelen die Petrus hier noemt kun je uren na denken. Laat je er door verrassen en uitdagen. Laat je er door bemoedigen. Er staat niet: zo zou de gemeente moeten zijn, maar: zo is ze. Het is een toespraak. De gemeente is oké. Wij doen alleen soms iets te goed ons best om dat te verduisteren.

Oh, ja. Er staat ook nog een taakomschrijving bij: Gods grote daden verkondigen. Geweldig als ingewikkelde dingen eens heel eenvoudig voor je gemaakt worden.

8 oktober: 1 Petrus 1

…als mensen die opnieuw zijn geboren, niet uit vergankelijk zaad maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levende en altijd blijvende woord. 1Petrus 1:23

Net als de apostel Johannes spreekt Petrus over opnieuw geboren worden. We zagen enkele dagen geleden al hoe wezenlijk het is dat je opnieuw geboren bent. Johannes schrijft het opnieuw geboren worden toe aan de activiteit van de heilige Geest (Johannes 3:6 en 8). Petrus legt hier een andere verbinding.

Zoals het zaad van een man nodig is om een eicel te bevruchten en de lange weg naar de geboorte van nieuw leven te beginnen, zo is er goddelijk zaad dat de wedergeboorte te weeg brengt. Dat zaad is Gods Woord. Wat wil dat zeggen? Dat wil zeggen dat je een antwoord hebt op de vraag: hoe word ik opnieuw geboren. God werkt daarbij door zijn Woord. Wie naar Gods Woord luistert, er in leest, er in verblijft, bevindt zich in het krachtenveld waarin mensen opnieuw geboren worden.

Is dat in tegenspraak met wat Johannes zegt over de rol van de heilige Geest in het proces van wedergeboorte? Nee, daarom heeft men in de protestantse traditie Woord en Geest altijd bij elkaar willen houden. Het Woord van God zonder de werking van de heilige Geest is een dode letter. En de heilige Geest werkt niet uitsluitend maar wel bij voorkeur via het Woord.

Daarom is de verkondiging van het evangelie zo’n ontzettend belangrijke taak van de kerk en van elke gelovige. God heeft beloofd dat zijn Geest in actie komt als het Woord klinkt. Hoe komen mensen in het Koninkrijk van God? Door de Woordverkondiging. Hoe komen geestelijk dode mensen tot leven? Door het Woord.

Dat is trouwens geen gemakkelijke weg. Wij merken hoe vreemd de bijbel voor ons kan zijn. Wat een inspanning het kan zijn om te lezen en te blijven lezen. Hoe weinig we er soms van begrijpen. En toch, het is de aangewezen weg. Het geeft ook een enorme diepgang aan onze omgang met de bijbel. Het is het middel waarvan God beloofd heeft dat Hij ons er levend door maakt.

Inleiding op de eerste brief van Petrus

Auteurschap
Volgens het eerste vers van deze brief is de schrijver Petrus. Sinds de negentiende eeuw is er veel discussie geweest over de vraag of deze brief wel echt door de apostel Petrus geschreven is. Veel genoemde redenen zijn:
1. het Grieks is zeer verzorgd; hoe is het mogelijk dat een simpele visser als Petrus zulk goed Grieks kan schrijven?
2. gegeven het feit dat uit andere delen van het NT blijkt dat Petrus en Paulus nogal verschillend dachten over bepaalde zaken, is het opvallend hoezeer de inhoud van deze brief aanligt tegen het denken van Paulus; zou een ‘echte’ brief van Peutrs niet meer verschillen tonen met Paulus?
3. op geen enkele manier blijkt uit de brief dat de schrijver Jezus tijdens zijn leven op aarde persoonlijk heeft gekend; je zou anders verwachten van Petrus
4. de vervolgingen waar in de brief over gesproken wordt, zouden pas in later tijden hebben plaats gevonden.

Dit zijn terechte vragen. Toch is het maar de vraag of ze doorslaggevend zijn.
In hoofdstuk 5:12 wordt Silvanus genoemd als degene die mede de brief geschreven heeft. Als dit Silas is, de metgezel van Paulus (Hand.16:19.25;29 en verder), zou dat zowel een antwoord op vraag 1 als 2 kunnen zijn.
Petrus schrijft geen biografie van Jezus en hoeft dus niet allerlei gebeurtenissen te memoreren. Wel noemt hij zich uitdrukkelijk ooggetuige van het lijden van Christus (5:2).
De vervolgingen waarbij christenen massaal door de staat in gevaar gebracht werden, dateren inderdaad van na het leven van Petrus. Maar nergens in de brief wordt beweerd dat de vervolgingen waarover Petrus spreekt, massale van overheidswege georganiseerde vervolgingen zijn.
Kortom, er lijken geen doorslaggevende bezwaren te zijn om Petrus als auteur van deze brief te zien.

Geadresseerden
De geadresseerden zijn gemeenten in noordelijk Klein-Azië. Dit waren gemeenten die voornamelijk uit bekeerde heidenen bestonden.

Plaats en tijd van ontstaan
Aan het eind van de brief lezen we dat de brief geschreven is in Babylon. De vraag is wat daarmee bedoeld wordt. Is het Babylon in Mesopotamië bedoeld? Maar is Petrus daar dan geweest? Sommigen zeggen dat hij daar op zendingsreis is geweest. Of wordt met Babylon de Romeinse garnizoensplaats in Egypte bedoeld? Maar wat heeft Petrus te zoeken in zo’n gat? Of is Babylon een cryptische aanduiding voor Rome, de stad waar Petrus uiteindelijk de marteldood is gestorven? Het meest waarschijnlijk lijkt deze laatste suggestie te zijn. ‘De uitverkorenen in Babylon’ duidt dan op de christelijke gemeente in Rome.
Als Petrus inderdaad de auteur is van deze brief, ligt een datering aan het einde van zijn leven voor de hand, dat wil zeggen aan het begin van de jaren zestig.

Structuur van de brief
Van Houwelingen geeft de volgende structuur:
– het heil en heiligheid (1,1-2,10)
– voorbeeldige mensen (2,11-4,11)
– in het leven (2,11-3,12)
– in het lijden (3,13-4,11)
– lijden in perspectief (4,12-5,14)

11 oktober: 1 Petrus 4

Maar als u lijdt omdat u christen bent, schaam u dan niet en draag die naam tot eer van God. 1 Petrus 4:16

Er zijn momenten dat het belijden van de naam van Jezus echt spannend wordt. En die momenten zijn er altijd geweest. Jezus is Heer: één van de oudste geloofsbelijdenissen van de kerk. En het is een belijdenis die velen het leven gekost heeft.

Het belijden van de naam van Jezus is altijd spannend, maar soms wordt het dat heel duidelijk. En dan kan het ook heel gevaarlijk worden. Wij kunnen hier in het Westen wel makkelijk over dialoog praten, maar als je christen in Irak of Iran bent, of in Noord-Korea of in China, of Pakistan, dan kun je je die luxe niet veroorloven. Want dan bestaat de kans dat je leven plotseling is afgelopen omdat je de naam van Christus draagt.

Denk je eens in: gemarteld worden omdat je een affiche van kerkbalans op hebt gehangen. Nooit promotie krijgen of zelfs ontslagen worden omdat je zondags in de buurt van een schuilkerk bent gesignaleerd. Het zijn geen verhalen uit de middeleeuwen of van een barbaarse andere planeet. Het zijn de verhalen van onze broeders en zusters op dit moment.

En ik schaam ik me ervoor hoe weinig ik aan hen denk en voor hen bid. Ik schaam mij als ik aarzel over een antwoord op de vraag of ik ook zoveel over zou hebben voor mijn geloofsovertuiging. Ik schaam mij als ik de verhalen van christenen uit deze situaties hoor vertellen. Zij vertellen dat het inderdaad waar is, dat je je niet moet schamen, maar dat je God moet vrezen, en dat het dan toch goed komt, ook al gaat het fout. Dietrich Bonhoeffer schreef: ‘Wie nog voor mensen vreest, kent niet de vreze Gods. Wie echter God vreest, vreest de mensen niet meer.’ Wie zou zoiets in de mond durven nemen? Maar voor Bonhoeffer is het waar geworden. Vlak voor zijn doodvonnis voltrokken werd, schreef hij niet over de waanzin en over angst om te sterven, maar schreef hij over de ervaring dat hij zich door goede machten stil en trouw omgeven wist (Gz 398 LvdK).

 

 

 

10 oktober: 1 Petrus 3

Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. 1 Petrus 3:15b

Petrus schrijft aan heidenen die christen geworden zijn. Hun geloof en daarmee samenhangende levensinvulling roept vragen op bij de niet-christelijke omgeving. Ook wij leven in een cultureel klimaat waarin het christelijk geloof en de daarmee samenhangende levensinvulling in toenemende mate niet meer vanzelfsprekend zijn.

De grote vooronderstelling van dit vers is, dat niet-christenen aan christenen merken dat zij anders zijn en daarom vragen gaan stellen. Een vraag die daarom vanuit dit vers op ons afkomt is: roept onze manier van leven vragen op bij niet-christenen? Kunnen mensen aan ons merken dat wij christen zijn?

Lange tijd zijn we als christenen in Europa misschien wel te bang geweest om het “anders-zijn” te benadrukken. Vooral niet opvallen. Vooral benadrukken dat ook christenen met hun tijd meegaan. Vooral benadrukken dat je als christen ook best leuk kunt meedoen in de wereld. Als reactie op bepaalde vormen van christelijk ghetto gedrag is dat ook misschien wel begrijpelijk. Maar heeft het intussen niet geresulteerd in een verbleekt christendom waarin het gedrag van een christen zich niet veel onderscheidt van een niet-christen?

Weet je waarom de eerste christenen opvielen? Omdat de manier waarop die vrouwen met hun mannen omgingen en die mannen met hun vrouwen anders was, liefdevoller en respectvoller dan onder niet-christenen. Omdat er onder christenen meer eensgezindheid bestond, meer onderlinge liefde, meer barmhartigheid, meer nederigheid, minder neiging tot wraak, meer bereidheid elkaar te zegenen. Dat was niet vanzelfsprekend. Voor christenen niet (daarom spoort Petrus hen ook aan), maar zeker niet onder niet-christenen.

Als in de gemeente van Christus net zoveel verdeeldheid, net zoveel liefdeloosheid en respectloosheid, net zo weing barmhartigheid en nederigheid, net zoveel wraakzucht is als in de rest van de wereld, wat voor getuigenis gaat er dan nog uit van het christelijk geloof?

Getuigt onze manier van leven van hoop? Dat is een ontdekkende vraag. Denk er eens in alle oprechtheid over na. En zo ja, zijn wij in staat om over ons geloof te spreken met anderen? Om iets uit te leggen van de hoop die in ons is? Ons geloof heeft met hoop te maken. Kun je daar iets over zeggen?