23 februari: 1 Koningen 8

Maar zou God werkelijk op de aarde wonen? Zie, de hemel, ja, de allerhoogste hemel, kan U niet bevatten, hoeveel te min dit huis dat ik gebouwd heb. 1 Koningen 8:27 (HSV)

Tussen het gebed van David dat we gisteren lazen en het gebed van Salomo van vandaag liggen heel wat jaren. Jaren van hard werken en van grote financiële investeringen in een godsdienstig mega-project: de tempel van Jeruzalem. Jaren waarin talloze mensen aan het werk zijn geweest. Maar vooral: jaren waarin de HERE God zijn beloften heeft waargemaakt.

Salomo is een wijs man. Die wijsheid heeft hij van God gekregen. Het zinnetje uit zijn gebed dat boven dit stukje staat, getuigt van wijsheid. En wijsheid en bescheidenheid hebben met elkaar te maken.

Salomo heeft een mega-project afgerond. De tempel in Jeruzalem is een staaltje vernuft van internationale allure. De tempel in Jeruzalem zegt veel over de koning van Israël. Wie zo’n project tot een goed einde brengt, moet wel een briljant bestuurder en politicus zijn. Het zou niet verbazen als de bouw van de tempel Salomo tot een trots en zelfs hoogmoedig mens had gemaakt.

Er is altijd het gevaar dat onze menselijke dadendrang ons groot maakt en bij gevolg God wat kleiner. Het was niet uitzonderlijk geweest als Salomo had gedacht: God mag blij zijn dat Hij in zo’n mooi huis mag wonen.

Het gebed van Salomo getuigt van enorme zelfrelativering en van een diep besef van Gods heiligheid. Er staat een joekel van een tempel. Het mooiste gebouw uit de bouwgeschiedenis van Israël tot dan toe. Maar Salomo beseft: dit gebouw kan God niet bevatten. God is altijd groter dan wat wij mensen bedenken en uitvoeren.

Salomo heeft ook gevoel voor het heilig spel van de liturgie. God woont in de tempel. Ja, dat is waar, dat heeft Hij zelf beloofd. Maar neem dat nu niet letterlijk, want dan maak je van God een godje dat je in een gebouw kunt stoppen en manipuleren.

Salomo heeft gevoel voor verhoudingen. God is oneindig groot en machtig en heilig. Juist daarom is zijn belofte van nabijheid zo uitzonderlijk.

Hoe komt Salomo zo wijs? Daar heeft hij ooit om gebeden! God verhoort zulke gebeden.

 

 

 

 

 

Advertenties

5 februari: 1 Koningen 17

Zij ging en deed overeenkomstig het woord van Elia. Zo at zij, en hij, en haar gezin, vele dagen. 1 Koningen 17:15 (HSV)

De weduwe van Sarfath speelt een rol in de geschiedenis van Elia. En die geschiedenis gaat over de vraag wie nu eigenlijk God is. Baäl of JHWH, de God van Israël. De droogte die Elia aan het begin van het hoofdstuk aankondigt, treft de Baälcultus in het hart: aan Baäl werd immers de gave van regen toegeschreven?

Als Elia door God naar Zarfath toegestuurd wordt, is dat opnieuw een uitdagende actie van God. Zarfath ligt in Phoenicië en dat is het machtsgebied van de vader van Izebel, de koningin die Israël zo graag op de knieën zag voor Baäl. De HERE God zal Baäl op eigen terrein verslaan.

Intussen vraagt God veel geloof. Bijvoorbeeld van Elia. Hij moet hulp gaan zoeken. In het centrum van de Baäl cultus. Bij een weduwe, die zelf tot de kwetsbaarste groep in de samenleving behoort. Maar God vraagt ook veel geloof van deze vrouw. Zij moet een God vertrouwen die de hare niet is. En ze doet het…

En hier vinden we in het verhaal een diepe en pijnlijke ironie. Terwijl het volk van God ontrouw is geworden aan de HEER en daardoor honger lijdt, is in Sarfath een heidense vrouw die op de HEER verrtouwt en eten heeft. Elke dag opnieuw, zoals eens het volk Israël elke dag opnieuw manna kreeg.

Hier lezen we het eerste verhaal over iemand die opgewekt wordt uit de dood: de zoon van een heidense vrouw op het terrein van Baäl. Wat zegt dat je?

 

 

 

 

11 januari: 1 Koningen 18

De geschiedenis van Elia op de Karmel is een klassieker. Het is een geschiedenis waar verschrikkelijk veel in zit. Dat kan niet allemaal aan de orde komen. In een commentaar kwam ik een drietal stellingen tegen die ik bij wijze van meditatie wil door geven.

1. Voor de HEER, de God van Israël is de plaats van handeling niet belangrijk.
Al sinds langere tijd is de Karmel een plek waar Baäl vereerd vereerd wordt. Baäl speelt op de Karmel dus eigenlijk een thuiswedstrijd. Is dat een voordeel? Voor de aanhangers van Baäl zal dat zeker gegolden hebben. Je voelt je op eigen terrein altijd een stuk zekerder van je zaak. Voor God maakt het niet zo veel uit. Hij is Schepper en Heer van de hele aarde. Er kunnen wel goden zijn die rechten laten gelden op speciale plekken, maar als de HEER zijn rechten laat gelden, zijn die goden ook nergens meer. Voor de aanhangers van Baäl zal dit een gevoelige klap geweest zijn: als hun god zich op eigen terrein laat verslaan, is hij misschien niet zo machtig als ze wel dachten.
Waar je ook bent, hoe bedreigd je je ook voelt: God is HEER van elke milimeter van het heelal.

2. Voor de HEER, de God van Israël zijn aantallen niet belangrijk.
Vierhonderdvijftig priesters tegen één profeet. Een indrukwekkend verschil. Wij zijn mensen die ons laten verleiden om aan aantallen waarde te hechten. Wij kopen boeken die in de top tien staan. Omdat we denken dat boeken die in de top tien zijn dus wel goede boeken zullen zijn. En als niemand in jouw straat meer naar de kerk gaat, is er misschien wel iets mis met jou. Als er peilingen gedaan zouden worden naar God, dan zou Hij er niet goed voor staan, tenminste, niet in West-Europa. Maar peilingen zeggen niet zoveel over waarheid en koningschap. Aantallen net zo min. Laat je daar door bemoedigen.

3. Voor de HEER, de God van Israël hoef je je niet uit te sloven.
De Baälpriesters lopen zich het vuur uit de sloffen. Ze bidden zich de knieën stuk. Ze laten radicale toewijding zien: zelfs hun lichaam wordt opgeofferd. Elia bidt een eenvoudig gebed waarin hij vertrouwen op God uitspreekt.
De priesters maken eigenlijk een soort koehandel met God. Wij doen erg ons best, nou is het uw beurt! Misschien betrap je je er wel eens op dat je zo ook met God kunt omgaan. Alsof God pas in actie komt als wij heel erg ons best doen. Er is niets mis met een intens gebedsleven. Maar probeer niet om God voor je karretjes te spannen. God laat zich niet dwingen. Dat hoeft ook niet. Jezus zegt: ‘Als u bidt, gebruik dan geen omhaal van woorden zoals de heidenen, want zij denken dat zij door de veelheid van hun woorden verhoord zullen worden. Word dan aan hen niet gelijk, want uw Vader weet wat u nodig hebt, voordat u tot Hem bidt.’ (Matteüs 6:7-8, HSV)