21 juni: Job 31

Ik heb een verbond gesloten met mijn ogen… Job 31:1
…als mijn hart heeft toegegeven aan mijn ogen… Job 31:7
En Ik zeg zelfs: iedereen die naar een vrouw kijkt en haar begeert, heeft in zijn hart al overspel gepleegd. Matteüs 5:28

Zien eten, doet eten. Dat werd bij ons thuis vroeger wel eens gezegd. Je had geen zin in eten. Prima, maar je komt wel aan tafel zitten. En als vanzelf kreeg je bij het zien van etende huisgenoten toch wel trek. Onze zintuigen bemiddelen tussen de werkelijkheid om ons heen en ons innerlijk. Wat ik zie, doet iets met mijn hart. Het wekt iets op. En zo gauw in mijn hart iets wakker geworden is, zal ik mijn zintuigen gaan gebruiken om het verlangen van mijn hart te stillen. Dat is allemaal zo door God bedacht en bedoeld. En in het geval van het luisteren naar mooie muziek of het proeven van een rijpe aardbei of het zien van het lijf van mijn vrouw, kan dat de opmaat zijn voor het genieten van Gods goede scheppingsgaven. Lees voor het belang van de ogen voor zinderende erotiek het boekje Hooglied maar eens door. Die geliefden kijken hun ogen uit.

In de bijbel worden erotiek en sexualiteit altijd gesitueerd in exclusieve relaties van liefde en trouw. Dallas Willard schrijft daarover:

Sexuele omgang wordt goed gevonden wanneer die gebaseerd is op een plechtig verbond voor het leven dat door twee mensen in het openbaar wordt gesloten. Sexuele opwinding en genot zijn een antwoord op het geschenk van een uniek persoonlijke intimiteit waarbij de hele persoon betrokken is, en die partners elkaar hebben gegeven door hun standvastige trouw. Intimiteit is het samensmelten van twee zielen waarbij de een de ander in zijn of haar leven steeds verder toelaat. Ware erotiek zit in het samensmelten van twee zielen. Omdat we vrije wezens zijn, kan intimiteit niet passief of gedwongen zijn. En omdat we zeer beperkte wezens zijn, is die intimiteit uitsluitend mogelijk met één andere persoon. Dat is de bovennatuurlijke en geestelijke realiteit die maakt dat het zo’n verschrikkelijke inbreuk is op onze persoonlijkheid als we bedrogen worden door onze partner. (Gods geheime plan, p.196)

Als Willard gelijk heeft, dan begrijpen we waarom in de bijbel overspel zo serieus genomen wordt: je wordt er geen beter en gelukkiger mens van. Ik denk dat de meeste mensen die in situaties van overspel zijn geweest dat ook zullen beamen. Op z’n minst achteraf…

Job verdedigt zich in hoofdstuk 31 tegenover de beschuldigingen van zijn vrienden. Hij zal wel iets uitgespookt hebben als hem zulk lijden overkomt. Job verdedigt zich tegen de aanklacht van overspel. En in zijn verdediging geeft hij een goede analyse van hoe overspel tot stand komt. Job legt het begin van de weg naar overspel in de ogen en welke vrijheid wij onze ogen geven. ‘Nooit zal ik naar jonge vrouwen kijken.’ Dat is wat algemeen en daardoor ietwat potsierlijk vertaald. Het is nogal onmogelijk om nooit naar jonge vrouwen te kijken. Het ‘kijken’ heeft hier dan ook meer de lading van ‘aandachtig bekijken’. En daar zit natuurlijk wel een verschil in. Dat ik van een andere vrouw zie dat zij aantrekkelijk is, is prima. Dat ik mij voorstel hoe het is om haar naakt te zien, haar aan te raken, dat is al iets anders. Dat is wat Jezus noemt ‘kijken om te begeren’. Waarom is dat kijken dan zo gevaarlijk? Omdat wat onze ogen zien, iets doet met ons hart. En als ons hart iets wil, is het vaak wachten op de gelegenheid.

In onze tijd zijn de woorden van Job misschien wel extra actueel. Terwijl ik dit schrijf ben ik slechts een paar muisklikken verwijderd van foto’s en video’s van de meest mooie vrouwen in de allerintiemste situaties. En dat levert een strijd op, want ik wil zien wat ik niet wil zien en wil niet zien wat ik wil zien.

Er zijn software pakketten die je willen helpen om de woorden van Job – ik heb een verbond met mijn ogen gesloten – om te zetten in praktijk als je op internet zit. Heel toepasselijk heet één van die pakketten Covenant Eyes. Die pakketten hebben meestal twee functies: ze blokkeren websites met expliciet materiaal èn ze moedigen het aan dat je een accountability partner zoekt met wie je kunt praten over je strijd tegen verleidingen. Het eerste geeft je rust. Het tweede laat je groeien.

Het is een gevoelig thema, maar het zou waardevol zijn als we met betrekking tot dit soort onderwerpen in de kerk elkaar meer tot steun zouden kunnen zijn.

20 juni: Job 30

Mijn lier is geworden tot rouwinstrumentmijn fluit tot de stem van de treurenden. Job 30:31

Hoofdstuk 30 is onderdeel van de laatste en langste redevoering van Job. In hoofdstuk 29 denkt Job terug aan hoe goed het was. In hoofdstuk 30 beklaagt hij zich over hoe verschrikkelijk het is. Het laatste vers vat het mooi samen: mijn lier is geworden tot rouwinstrument. Je ging zingend door het leven. Alles was mooi. Maar nu? In één woord: verschrikkelijk.

Het heeft iets heel ongemakkelijks om te moeten luisteren naar de bittere klacht van een mens die pijn lijdt. Zoals het ook iets ongemakkelijks heeft dit hoofdstuk te lezen, dit boek. Zeker als blijkt dat die mens bij God eigenlijk geen troost meer vindt. Job heeft God het nodige te verwijten: ‘Ik roep U om hulp, maar U antwoordt niet.’

Als je het boek al eens las, weet je dat Job daar iets voorbarigs zegt. God zal wel antwoorden. Tamelijk uitvoerig zelfs en ook niet eens het antwoord waarop je wellicht had gehoopt of gerekend. God antwoordt op zijn tijd. En dat betekent voor ons wachten tot Gods tijd daar is.

Ik vind dat moeilijk, wachten. Heb er een hekel aan. Zeker als naast mij een mens zit die lijdt en God vaarwel dreigt te zeggen omdat God toch niets zegt. Maar als ik eerlijk ben, vind ik wachten ook moeilijk als ikzelf aan God vraag zich te tonen, zich op een bepaalde te mengen in mijn leven en er gebeurt niets. Of moet ik zeggen: nog niets?

Soms is geloven niet veel meer dan roepen vanuit de diepte. Roepen tot God. Die op zich wachten laat. Maar antwoordt. Op zijn tijd. Een ingewikkelde les.

14 juni: Job 24

In hoofdstuk 24 lijkt Job zichzelf tegen te spreken. In het eerste gedeelte tekent hij met heel concrete voorbeelden dat zijn vrienden ongelijk hebben als zij zeggen dat de onrechtvaardigen voor hun misdaden gestraft worden door God. Job zegt als het ware: kijk nu eens om je heen, het is gewoon niet waar wat jullie zeggen, want er zijn zat mensen die doen wat ze willen zonder dat God er iets tegen doet. Jobs voorbeelden laten zowel het perspectief van de daders zien als dat van de slachtoffers. Maar vanaf vers 18 lijkt het alsof Job zijn vrienden gelijk geeft: de onrechtvaardigen lijken heel wat, maar zij zullen hun ondergang niet kunnen verhinderen. Hier doen de woorden van Job aan Psalm 73 denken. Het zou ook kunnen dat Job zowel zijn eigen visie als die van zijn vrienden weergeeft met als doel de betonnen theologie van zijn vrienden op z’n minst te relativeren.

Ik krijg het benauwd als ik een hoofdstuk als dit lees. Omdat je tot de conclusie moet komen dat er geen gemakkelijke oplossingen zijn voor de vraag hoe het bittere lijden dat mensen moeten ondergaan zich verhoudt tot de zorgende, liefdevolle God die zich bekend maakt als de Redder van de armen. De vrienden van Job denken met hun recht-toe-recht-aan-theologie alles op een rij te hebben. Job is wat dat betreft door alle bodems heen gezakt. Hij begrijpt het niet. Wie eigenlijk wel?

Wat dit hoofdstuk zo benauwend maakt is het ontbreken van uitgesproken vertrouwen op God. Sterker nog, in vers 12 staat: ‘…maar God bekommert zich niet om hun ellende.’ Als dat nu eens waar zou zijn, dan zou je je godsdienst toch meteen afzweren? Dat ik niet alles begrijp is op zich nog niet zo erg. Dat ik God niet zou kunnen vertrouwen, dat zou verschrikkelijk zijn.

 

13 juni: Job 23

Maar ga ik naar het oosten – daar is Hij niet, naar het westen – ik zie Hem nergens. Hij is in het noorden – en blijft onvindbaar, Hij toeft in het zuiden – ik kan Hem niet ontdekken. Job 23:8-9

Klom ik op naar de hemel – U tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk, – U bent daar. Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden. Psalm 139: 8-10

Het valt ogenblikkelijk op hoezeer de twee bijbelgedeelten van hierboven op elkaar lijken voor wat betreft de structuur. Maar de inhoud verschilt hemelsbreed. In het ene geval een belijdenis van Gods alomtegenwoordigheid. En dan niet in abstracte zin (‘God is overal’) maar in persoonlijke zin: ik mag God overal tegenkomen en Hij leidt mij en houdt mij vast. In het andere geval het trieste resultaat van een mislukte zoektocht: ik vind God nergens.

Je kunt zeggen dat Job tekort doet aan God. En strikt genomen is dat ook zo. Hoewel? Job zegt dat God niet in het Oosten is. Dat klopt dan zuiver theologisch geredeneerd niet. Maar dat Job God nergens ziet en kan ontdekken, dat kan waar zijn. Je kunt geloven in God en zijn alomtegenwoordigheid en Hem toch kwijt zijn. Er is zoiets als de donkere nacht van de ziel waarin je je verlaten voelt van God. Hij die alomtegenwoordig is, is weg. Wat een paradox.Vincent_Willem_van_Gogh_002

Als ik heen en weer geslingerd word tussen Job 23:8-9 en Psalm 139:8-10 troost mij een ander bijbelgedeelte: Psalm 22:1 omdat dat Psalmvers door Jezus gebeden is aan het kruis. En wat zegt het avondmaalsformulier daarover: dat Jezus door God verlaten geworden is, opdat wij nooit door God verlaten zouden worden. Je kunt dezelfde ervaring hebben als Job voor wat betreft de onvindbaarheid van God. Maar je mag je dan optrekken aan het geloof dat je ervaring corrigeert.

12 juni: Job 22

Ook in dit hoofdstuk moet je weer goed en oplettend lezen. Opnieuw spreekt Elifaz waarheid en leugen door elkaar heen waardoor een twijfelachtig mengsel ontstaat dat pastoraal de plank finaal misslaat. Ik noem een paar dingen.

Het is waar dat God ons mensen niet nodig heeft (vss.1-3). In die zin kunnen wij God nooit tot nut zijn. En baat het God dat een mens een onberispelijk leven leidt? Niet in de zin van enig gewin. Maar zou het God echt koud laten hoe mensen leven? De geboden van God zijn geen willekeurige regels, maar bedoelen het goede leven te beschermen. Mensen die zich houden aan Gods geboden eren hun Maker en genieten het goede leven. Mensen die niet met Gods geboden leven worden daar uiteindelijk ongelukkig van. De geboden zijn een uitdrukking van Gods liefde. En leven volgens zijn geboden is een uitdrukking van wederliefde van de mens. Juist op dit punt spreken de profeten heel anders over God dan Elifaz doet. God verheugt zich in de mens die leeft naar zijn geboden en omgekeerd doet het Hem groot verdriet wanneer mensen bij Hem wegdwalen. God is een God die bewogen is uit liefde en geen kille afstandelijke God.

Verder wordt de toon van Elifaz steeds scherper richting Job. Allerlei beschuldigingen worden naar diens hoofd geslingerd. En sommigen daarvan zijn aantoonbaar onjuist. Job heeft God nergens van onwetendheid beschuldigd (22:13). Job verwijt God onrechtvaardigheid. Dat is iets anders.

En in het laatste deel van zijn betoog beschuldigt Elifaz Job op impliciete wijze ervan dat die meer vreugde vond in zijn bezittingen dan in God. Maar dat was nu juist in de inzet van het gesprek tussen God en de satan. Elifaz lijkt hier hetzelfde te denken als de duivel.

Tegelijkertijd is er veel waars en moois te ontdekken in de woorden van Elifaz. Al was het maar om te zien hoe Elifaz zonde definieert (vss.5-9) in de beste profetische traditie als sociaal onrecht. Of de ruimte waarmee hij zegt dat God zelfs mensen redt die niet onschuldig zijn. Het is alleen jammer dat Elifaz met deze rechte stok een kromme slag toe brengt. Het luistert nauw in onze vriendschappen.

10 juni: Job 19

Ik weet: mijn redder leeft. Job 19:25

In het Psalmenboek kom je ze ook regelmatig tegen: van die enorme zwenkingen. Van de klacht naar de lofprijzing. Vaak ingeleid met het woordje ‘maar’. In hoofdstuk 19 spreekt Job zich uit in een diepgaande klacht. Vers na vers beschrijft hij zijn ellende, zijn verlatenheid. En dan opeens in vers 25 die uitspraak: ‘ik weet: mijn redder leeft.’ Niets wijst er op dat die belijdenis gaat komen. En als je later hoort hoe Job spreekt, dan lijken deze verzen een soort eilandje van vertrouwen te zijn in een oceaan van wanhoop. En misschien moet je deze woorden ook nuanceren. Verwacht Job echt dat hij in dit leven nog gered zal worden, of is wat hij hier zegt de hoop dat uiteindelijk, in het hiernamaals, alles goed zal komen?

Ik herinner mij preken van vroeger waarin dit vers eruit gelicht werd als een bijzondere grote geloofsbelijdenis. Alsof Job in vers 25 de top van het geloof bereikt. Dat is misschien voor een deel waar. Maar net zo goed sjokt Job daarna wel weer het dal in. In die zin is dit hoofdstuk een heel realistische beschrijving van het geloofsleven. Er is veel dat je niet ziet, veel dat je niet begrijpt, veel dat ook niet verandert ondanks je gebed. Er is veel voor te zeggen dat je geloof je niet verder brengt, dat God je niet verder brengt. En toch, te midden van dat alles is er een hardnekkig besef, een vertrouwen dat puur en alleen gegrond is op Gods beloften. Soms zie je dat even heel helder. Zo helder dat je kunt zeggen: ik weet dat mijn redder leeft. En dan wordt het soms daarna meteen weer donker.

Job zegt ook: ik zal Hem met eigen ogen zien (vs.27). Die woorden komen terug. In hoofdstuk 42. En juist het zien van God maakt dat Job dan echt anders naar de dingen kijkt dan hij nu doet. Dat is ook niet vreemd. Het zien van God maakt alles anders. “Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben.” (1 Korintiers 13:12)

7 juni: Job 17

…U zult hen toch niet laten zegevieren? Job 17:4b

Vandaag stond in de krant het verhaal van een man die slachtoffer geworden was van identiteitsfraude. Hij werd – zonder te weten waarom – verschillende keren verhoord door de politie die hem verdacht van het kweken van hennep. En ook het energiebedrijf meldde zich met rekeningen die in de tienduizenden euro’s liepen. Zelfs zijn familie en vrienden vroegen hem: je hebt het toch niet echt gedaan? Bewijs als slachtoffer van identiteitsfraude maar eens dat jij het niet gedaan hebt.

Zoiets zal Job toch ook gevoeld hebben. De redenering is nog steeds dat wie leed overkomt, dat leed over zichzelf heeft afgeroepen door verkeerde dingen te doen. En hoe harder Job roept dat hij onschuldig is, hoe dogmatischer zijn vrienden antwoorden dat hij toch echt wel iets gedaan zal hebben. Job, bewijs maar eens dat jij het niet gedaan hebt.

In dit hoofdstuk zien we iets van de wanhoop van Job. Hij beseft dat hij zijn onschuld nooit zal kunnen bewijzen. Het maakt hem eenzaam. Het enige dat zeker is, is dat hij op een dag zal sterven. En waar is dan nog je hoop als je leven een wachten op de dood geworden is?

Ik heb de neiging om eerst maar eens lang stil te blijven bij deze machteloosheid van Job die resulteert in hopeloosheid. Me in te denken hoe het is om zo klem te zitten. Ik zie gezichten voor me van mensen die ik hem ontmoet die ook klem zaten. Je ziet de machteloosheid in hun ogen. En je weet het zelf ook niet.

Het zijn donkere verzen die we lezen in Job 17. Je ruikt de wanhoop en de radeloosheid. En toch zit er een merkwaardig sprankje hoop in dit hoofdstuk. Job beseft dat hij zich niet kan verdedigen tegen de betonnen redeneringen van zijn vrienden. Er is er maar één die het voor hem kan opnemen. En dat is de God die zich – zo lijkt het althans – tegen hem gekeerd heeft. En wat is nu het merkwaardige? Dat Job zich tot God wendt en zegt: het kan toch niet waar zijn dat de leugens en verkeerde aannames van mijn vrienden het laatste woord zullen hebben? ‘Het kan toch niet waar zijn dat…’ Dat is een zinnetje dat je in je verbijstering over wat er gebeurt in de wereld zomaar wat voor je uit mompelt. Dan vallen je woorden neer op de grond. Maar je kunt die woorden ook maken tot een gebed: ‘God, het kan toch niet waar zijn dat…’ In zijn wanhoop beseft Job dat God zijn enige bron van hoop is.

Wie doorleest tot het einde komt erachter dat Job gelijk heeft gehad met dit rauwe ‘Het kan toch niet waar zijn dat…’, want God laat de vrienden van Job niet zegevieren. Hen worden de oren gewassen door God zelf. God stelt zich borg voor Job. Maar het duurt nog wel even voordat Job dat ervaart. Tot die tijd kunnen we maar beter stil naast hem blijven zitten en hem niet alleen laten.